Geschiedenis

Hoe het begon

Een van de oprichters van BCH is Varamitra, die vroeger als organisatieconsulent zijn geld verdiende en voor sommigen wellicht het gedroomde leven leidde. Varamitra ervoer het uiteindelijk als ballast. Hij zegde daarom zijn baan op, verkocht al zijn bezittingen en hield een sabbatical. Aan het begin van die periode, in het najaar van 1987, maakte hij voor het eerst kennis met boeddhisme Zuid-Spanje. Niet dat hij er direct door werd gegrepen, maar het raakte wel een snaar in hem.

Hij maakte vervolgens een lange reis in Azië waar hij in en om kloosters verbleef. Daar maakte hij kennis met diverse stromingen van het traditioneel (etnisch) boeddhisme, maar ook met  wat hij de “achterkant” van het boeddhisme noemt: dezelfde processen en misstanden zoals de christelijke tradities in West-Europa meemaken. Misstanden of niet, de fascinatie bleef.

Na diverse retraites in West- Europa viel, eind 1989 voor hem ‘het kwartje’ tijdens een intensieve droomtraining van een maand in de Amerikaanse staat Californië: de erkenning dat hij boeddhist is.

Begin jaren ’90 maakte Varamitra intensiever dan voorheen kennis met de diverse tradities binnen het boeddhisme. Hij reisde opnieuw naar Azië en Amerika en maakte uiteindelijk in Engeland kennis met de Western Buddhist Order (nu Triratna genoemd), waarvan hij ook lid werd. Wat volgde was een intensief voltijd trainingsprogramma/retraite in Engeland en een ordinatieretraite in Spanje. Zijn voltijd studie en meditatieprogramma in Engeland en Wales eindigde in 1995. Toen hij, na acht jaar buitenland, terugkeerde in Nederland was daar zijn eerste kennismaking met het boeddhisme in de lage landen. Varamitra besloot onderwijs te gaan geven in Boeddhistisch Centrum Amsterdam, wat na zijn semi-monastieke bestaan in kloosters en retraitecentra een volledig nieuwe ervaring werd: terug naar het marktplein, het leven van alle dag, in de hectiek van het stadse leven. In de loop van de jaren ontwikkelde hij door het geven van cursussen en retraites een onderichtstijl die aansloot bij de (on)mogelijke levensstijl van de stadse mens en stelde hij zich de vraag: “wat hebben zij nodig om vanuit boeddhistisch perspectief in de 21ste eeuw hun dagdagelijkse leven op een meer betekenisvolle manier te leven”?

Vanuit dat perspectief richtte hij in 2004 samen met Corine de Jong (die inmiddels de studie Religiestudies/boeddhisme aan de VU te Amsterdam heeft afgerond) een eigen centrum op: Boeddhistisch Centrum Haaglanden. In de beginperiode was een kleine etage in een pand aan de Copernicusstraat de uitvalsbasis. Deelnemers van het eerste uur kijken soms met een licht gevoel van heimwee terug naar die periode; het was er gehorig maar ook intiem, het had de energie van ware pioniers.

Langzamerhand groeide het centrum in de Copernicusstraat uit zijn jasje en ging men op zoek naar een eigen locatie. Na een intensieve verbouwing die in krap twee maanden door de sangha werd uitgevoerd, gingen in september 2010 de deuren van het nieuwe centrum aan de Uilebomen open. Inmiddels is BCH een ANBI, heeft het de rechtsvorm van een kerkgenootschap, is er een dagelijks bestuur en volgen steeds meer sanghaleden een individueel leertraject bij Varamitra om zelfstandig les te kunnen gaan geven. Steeds meer mensen weten de weg naar het kleine stadscentrum, dat bijna elke dag van de week gedurende een aantal uur is geopend, te vinden.

Belangeloos maar niet zonder belang

BCH is een actieve sangha en binnen ons centrum worden alle werkzaamheden spontaan en vanuit vrijgevigheid uitgevoerd. Niemand wordt verplicht ingeroosterd of opgeroepen. De verzorging van het pand en de meditatieruimte, het onderhouden van de tuin, het maken van de nieuwsbrief, het financiële en administratieve beheer en de organisatie van diverse activiteiten, alles wordt gedaan door vrijwilligers. Ook de begeleiders verrichten hun werkzaamheden onbetaald. Deelname aan de cursussen gaat op basis van een bijdrage in de kosten. Voor wie dit niet kan betalen, bestaat er een solidariteitsfonds.

Het centrum wordt daarom misschien nog wel het best getypeerd door de sangha. Want hoe noodzakelijk een pand, een lesrooster en een dagelijks bestuur ook mogen zijn: het is de vrijgevigheid van de individuele sanghaleden die het centrum draagt. Hun werk is belangeloos, hoewel niet zonder belang. Als er één belang voorop staat is het wel het bijdragen aan het welzijn van allen.